Sprookjesboom

de sprookjesboom Ik ben een boom, een Sprookjesboom, ik heb een dikke stam en reik hoog; in mijn stam zitten grote en kleine gaten, mijn wortels liggen hoog boven de aarde en zijn groot en grillig. Kabouterjonkies spelen graag tussen mijn wortels, dat kan wat kriebelen, maar ach als ik zie hoe ze genieten van hun ontdekkingstocht, denk ik "laat maar".
Mijn takken zijn misvormd, maar dat maakt ze speels. Elfenkinderen komen bij op mijn takken van hun vlucht door het luchtruim. Ook andere wezens, zoals de kinderwezens spelen graag in mijn takken, een kabaal van jewelste, maar wat hebben ze een lol.
Vleugelwezens doen zo nu en dan mij aan, zoals het roodborstje dat even komt aanwippen en wat dacht je van de specht, die het heerlijk vindt om te tokken in mijn stam, waar ik af en toe wel hoofdpijn van krijg, maar hij is bezig voor z'n nest en als die jonge vleugelwezentjes dan kriebelen in mijn hoofd, dan ben ik blij dat ik er voor hen mag zijn. Als ik in de zon sta te schitteren dan komt er wel eens een menswezen die mijn stam als ruggesteun gebruikt. Zo ben ik voor ieder wezen een ontdekkingstocht, want er is aan mij veel te zien en te voelen. Mijn stam die gedraaid is, omdat ik graag met de zon meedraai, is niet overal even dik; het schors vertoont grote gaten.
Zo sta ik hier, elk seizoen weer, al vele tientallen jaren en ik ben blij dat ik hier nog steeds mag "zijn", dat andere wezens genieten van mij, de sprookjesboom.

Moraal van dit verhaal:

Je bent mooi zoals je bent.

Met dank aan Herma.