|
ZONDELVER
Temidden van het vindervolk laat ik me niet afschrikken en graaf toegerust naar de verborgen mineralen en gesteenten, onder hun woonstee op gelaagde aarde, in het boek dat leeft. De zware wind draagt het gekrijs als een zachte ruis voorbij de poorten van tijd en fantasie in een wereld als van glas, waar schimmen slaapdronken dolen in een duister, terwijl mijn hamergeklop doordringt in die slaap, ben ik getuige van hun levenskracht. Het beschermende woud koestert in zijn zachte aarde, de afdrukken van dromen, achtergelaten in de paden van de tijd, en ik bezie het heden als een stip dat aaneengeregen, strepen vormt van geloof in eeuwen en in lijn. Boven op de rotsen in het midden van de wind van geesten, die de wereld teisteren in een niet aflatend gebrul om erkenning van macht en hebzucht, houd ik het tijdloos lichtend wezen als een kostbare edelsteen in mijn verweerde, met klei bevuilde handen. Roepend naar de reisgenoten die alle kanten gaan behalve die van mij, weet ik dat ieders pad gekruist wordt door de tekens van het vergankelijk leven, die elk ziet, kent en verstaat en er mee praat in de tong die hen gegeven is. Verstommende geluiden roepen de slaap terug, die zijn veilige omarming uitstrekt om me naar huis te leiden. Tot het moment dat de tijd zal komen dat de donkere schaduw zal vervagen in een groter licht dat nieuw ontwaakt. Herkenning is mijn deel en ik weet dat ik het bij me draagt, diep in dat kristal zit de grote kracht in het verspreiden van het licht, hoe meer het geeft, hoe groter wordt zijn waarde. Ben Heeringa
|